Kies wijzer

Published on Author HansLeave a comment

De verkiezingen voor de Tweede Kamer komen er weer aan; diverse kieswijzers zijn al actief. De eerste kieswijzers vond ik een leuk initiatief: zo krijg je wel een leuk overzicht van de diverse partijprogramma’s. Maar ik vind het doodjammer dat het daarbij bleef, want ik stem niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, op een programma. Ik vind het eigenlijk nog belangrijker om te weten wát een partij in de afgelopen kabinetsperiode heeft gedaan en bereikt. Ik heb het dan dus over stemgedrag, ingediende moties, initiatiefwetten enzovoorts.

De media geven mij daarvan geen behoorlijk beeld; die pikken er maar wat willekeurige conflicten en opstootjes uit en je moet wel héél fanatiek zijn om dagelijks in een schriftje bij te houden welke moties werden ingediend door wie en wie voor of tegen stemde. Of om de Staatscourant van a tot z uit te pluizen en in een reeks overzichtelijk spreadsheets samen te vatten. Met andere woorden: ik krijgen uit de partijprogramma’s een beeld van wat partijen zeggen te willen, maar van wat ze daar nou eigenlijk voor doen – daar heb ik nauwelijks enige notie van. En toch zou ik dat zo graag willen weten; dáárop zou ik het liefst mijn stem baseren.

Nog veel sterker geldt dit voor het Europees Parlement. Hoewel dit parlement voortdurend beslissingen neemt die voor ons belangrijker zijn dan welke nationale maatregel ook, horen we daar vrijwel niets over. Ik weet er nét genoeg van om te kunnen constateren dat partijen soms nationaal het éne standpunt verdedigen, maar Europees precies het tegendeel stemmen.

Ik vind het dan ook niet zo’n wonder, die desinteresse in de politiek en dat wantrouwen tegenover Europa.

Prioriteiten

Samen met M. poogde ik een lijstje op te stellen van ‘waar het ons nou écht om gaat’. Er bleken best nog véél punten op dat lijstje te staan; té veel, meenden we, om de verkiezingen mee in te kunnen. Dus dan maar, moeizaam, prioriteiten stellen. Twee punten bleken voor ons doorslaggevend; beide punten spelen nationaal én internationaal.

Punt 1: het milieu. Daar valt wat ons betreft zo’n beetje alles onder van statiegeld tot windmolens, van Ecologische Hoofdstructuur tot het landje van boer Gijsels, van built-in obsolescence en wegwerp-cultuur tot CO2-belasting. Kortom: hoe vormen we onze samenleving zó om dat we de aarde niet leegplunderen; hoe tonen we ons – om nou even een oud woord op te halen – goede rentmeesters van onze planeet?
We moeten naar een ‘energie-transitie’ en naar een ‘circulaire economie’- Iedere partij (m.u.v. één, natuurlijk) lijkt daar vóór te zijn, maar hoe ziet men dat dan voor zich en wat doet men eraan?

Punt 2: de toenemende kloof tussen arm en rijk. In 2014 bezat de top 10% in Nederland zo’n 61% van het vermogen zegt de WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid). De Utrechtse hoogleraar van Bavel publiceerde nog wat meer details over bezit: de drie rijkste Nederlanders bezitten meer dan ruim de helft van alle Nederlandse huishoudens bij elkaar. De bovenste 1 procent is goed voor bijna een kwart van het totale vermogen. De onderste 60 procent van de Nederlandse huishoudens bezit 1 procent van het totaal.

OK, bezit is niet hetzelfde als inkomen. Maar ook wat dat betreft zijn de cijfers duidelijk: de verschilen tussen top-inkomens en minimumloon zijn na véle decennia van daling weer fors gestegen sinds ca. 1990 en liggen nu weer op het niveau van begin 20e eeuw. We doen het in dit opzicht aanmerkelijk slechter dan vele andere landen (bijv. België).

De WRR signaleert voorts dat “het bij grote ongelijkheid moeilijker [is] om te klimmen op de sociale ladder” en ook “Wie arm is, heeft minder kans op rijkdom.” en “Er zijn steeds meer aanwijzingen dat ongelijkheid de economische groei vermindert.”

Zó, hoor je dat ook eens van een ander. Liberalen willen nogal eens top-inkomens verdedigen, want die zouden nodig zijn om ons bedrijfsleven concurrerend te houden, en dus economische groei en werkgelegenheid te scheppen. De WRR, d.w.z. onze knapste koppen op economisch gebied, zegt dat dit onzin is; dat juist die top-inkomens de economische groei in de weg staan.

(Terzijde: oude mensen en mensen met interesse in de geschiedenis vermoedden dat natuurlijk al lang; de periode waarin Nederland de grootste economische groeicijfers kende, de jaren van de ‘wederopbouw’ na WOII, is óók de periode van de grootste inkomens-nivellering. En ook al zie je daar geen oorzakelijk verband, dan bewijst dit toch tenminste wél dat de door liberalen verdedigde inkomensongelijkheid geenszins een voorwaarde is voor economische groei. En nu zegt de WRR dat het zelfs een belemmering is.)

Intussen wijst sociologisch onderzoek uit dat inkomens-ongelijkheid een betrouwbare indicator is van sociale onrust, ontevredenheid en stress.
Ook hebben steeds meer economen – eindelijk! – er oog voor dat het niet alleen gaat om inkomen, maar óók om bezit. De bezitter, immers, bepaalt wát je moet doen en hoe je dat moet doen, hoe je je moet kleden en hoe je je moet gedragen, enzovoort. Met de duizelingwekkend snel verlopen afbraak van tegen-krachten als vakbonden en CAO’s, de verruiming van ontslag-recht, de opkomst van kort-lopende contracten, de zee van ZZP’ers enz. is de macht van de bezitter in de afgelopen decennia sterk vergroot. Als zich dat bezit dan óók nog toenemend concentreert in de handen van een klein groepje dan begint zich een maatschappij af te tekenen waar De Bezitters het feitelijk voor het zeggen hebben; een maatschappij waarin het parlement in toenemende mate machteloos staat.

Nee, ik heb Piketty’s Capital niet gelezen (ik mis daar helaaas de economische kennis voor) maar wél heb ik er veel óver gelezen en daaruit trek ik wel déze conclusie: de grote meerderheid van economen is het min-of-meer wel eens met zijn stelling dat bij de huidige wetgeving de verschillen tussen arm en rijk onbegrensd zullen blijven toenemen. Toenemen totdat…? Economen zeggen daar natuurlijk niet graag wat over, maar het is niet zo moeilijk om de stippeltjes in te vullen: totdat er uiteindelijk met geweld een einde aan gemaakt wordt.
Met andere woorden: áls en indien we op deze manier blijven doorgaan stevenen we af op totale ontwrichting van onze maatschappij en zal op ‘het groene zoodje’ weer bloed vloeien. Dat is een welhaast onvoorstelbaar toekomstbeeld, maar dat betekent niet dat het een irreëel toekomstbeeld is.

Willen we zulk geweld voorkomen, dan zal er wél iets moeten gebeuren om grenzen te stellen aan die ongebreidelde groei van de kloof tussen arm en rijk.

Internationaal

Deze beide punten spelen natuurlijk ook internationaal en dat maakt het allemaal nog véél gecompliceerder. “Leuk hoor, dat jullie windmolens op zee zetten om fossiele brandstof te besparen” denkt men in India “maar wij zitten hier met 1,2 miljard mensen die zelfs nog geen vaatje olie uit de wereld-reserves getapt hebben – dus mogen wij nou óók even, ja?” Komt nog eens bij dat wij voor het gemak zo ongeveer onze hele industriële productie hebben uitbesteed aan Azië.
Milieu-politiek moet dus óók internationale politiek zijn, waarbij wij dan natuurlijk het goede voorbeeld moeten geven – dat is toch wel het mínste wat we kunnen doen. Maar zélfs dat minste doen wij in Nederland niet. Zie de rechterlijke uitspraak van ‘Urgenda vs de Staat de Nederlanden’. Zie de meest recente energie-verkenningen van het ECN.

Ook inkomensongelijkheid is een internationaal onderwerp. Dat ligt zo mogelijk nóg gecompliceerder, maar ik ben de enige niet die de oorzaak van vele internationale spanningen uiteindelijk zoekt in inkomensongelijkheid, tussen sociale lagen onderling én tussen laden onderling, die een rijke voedingsbodem vormt voor potentaten en predikers van gewelddadige actie.
Wij zijn bezig ons liberaal economisch systeem dwingend op te leggen aan de rest van de wereld, terwijl we inmiddels al kunnen weten dat dit systeem ertoe leidt dat ‘de rijken rijker worden en de armen armer’.

We kunnen een muur om Nederland bouwen; we kunnen het systeem van uitkijktorentjes die de aanvliegende vijand moeten spotten weer in ere herstellen – het zal allemaal tevergeefs zijn.

Nederlandse politiek

Mijn prioriteiten zijn dus milieu en ongelijkheid van inkomen en bezit; beide zowel nationaal als internationaal. Wat zeggen de politieke partijen daarover?

Op het stuk van energievoorziening kun je hoop putten uit het ‘energie-accoord’ waartoe álle partijen (op één na, natuurlijk) zich hebben gecommitteerd. Op EU-niveau is er óók zoiets en ook dat wordt breed gesteund.
Maar in de praktijk blijken de doelstellingen van het energie-accoord maar stééds niet gehaald te worden en internationaal maken we al helemáál niets klaar omdat we qua duurzame-economie helemaal vér onderaan bungelen in het lijstje van EU-landen; alleen Malta en Luxemburg doen het nóg slechter.

Over milieu staan er bij de meeste partijen tenminste nog wel een aantal voornemens maar zélfs ‘groene’ partijen als Groenlinks, D66, CU en PvdD lijken niet een duidelijke visie te hebben op ‘hoe het dan verder moet’; een scenario ‘Hoe halen we het energie-accoord’ heb ik niet gezien, laat staan een scenario ‘Hoe halen we de doelstellingen van Parijs’.
Aan een paar partijen schreef ik een email met de vraag of ze me konden verwijzen naar een stuk waarin hun visie beschreven stond op de ‘transitie naar een Circulaire Economie’. Ik kreeg een ontvangsbevestiging van mijn email – en daar bleef het bij.

Over de groei van de kloof tussen arm en rijk vond ik al helemáál weinig. Ja, wel iets over een kleine belastingverhoging hier, een kleine verlaging daar – maar zó komen we er dus duidelijk niet. “Op den duur zijn de verschillen met belastingmaatregelen niet meer recht te trekken” schrijft de WRR. Nergens tref ik een visie aan op een hervorming van het huidige economische systeem zodanig dat structureel een rem gezet wordt op de voortgaande concentratie van bezit in handen van weinigen en de voortgaande groei van de kloof tussen lage en hoge inkomens.
Ik kan het eigenlijk wel korter zeggen: nergens trof ik een visie aan. Welke visie dan ook.

Ik zou graag Pechtold zien als onze volgende premier, al vind ik het een onuitstaanbaar arrogante corps-bal maar daar moet je, vind ik, overheen kunnen stappen. Ik steun van harte Jesse Klaver en meer nog zijn groene partij-programma. Ik vind Emile Roemer een bewonderenswaardige voorvechter van ‘de kleine man’ en juich de verwerping van het ‘markt-idee’ in de zorg van harte toe. Maar ik weet dus nog niet wat ik ga kiezen, gezien mijn bovenstaande prioriteiten waarop elk van bovenstaanden toch eigenlijk dik tekort schiet.

Misschien ga ik, om mijn ongenoegen kenbaar te maken, maar een ‘protest-stem’ uitbrengen. De enige mogelijkheid daarvoor biedt me de Partij voor de Dieren, de enige partij die expliciet aangeeft niet naar regeringsverantwoordelijkheid te streven. Met een hele trits van hun punten ben ik het niet eens – maar ja, dat heb je natuurlijk altijd wel.

hans

Naschrift

Niet alleen in de partijprogramma’s maar ook gedurende de vele debatten en interviews spelen bovengenoemde twee onderwerpen nauwelijks een rol.

Ik verzuimde trouwens een derde punt te noemen: de toekomst van de EU. Op 1 maart presenteerde EU Commissievoorzitter Juncker een discussiestuk waarin vijf mogelijke toekomstbeelden voor de EU naast elkaar gezet worden. Ze variëren van ‘een stapje terug’ via ‘voorzichtig voortgaan op de ingeslagen weg’ tot ‘op weg naar een federatie’. Al is het niet helemaal eerlijk om alles zo op één as uit te zetten. Maar goed, lees het zelf: http://europa.eu/rapid/press-release_IP-17-385_en.htm.

De keuze tussen deze vijf scenario’s is wellicht de belangrijkste politieke keuze van dit decennium, maar tot dusver heb ik geen enkele politicus erover gehoord. Ook de omroep-media repten er niet over, althans niet in de meest voor de hand liggende uitzendingen. Wél een stukje in de NRC en nog een paar kranten.

hm, 5-3-2017

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *