Carbon budget

Published on Author HansLeave a comment

Zondag, op de radio bij Vroege Vogels, hoorde ik een pleidooi voor het instellen van een persoonsgebonden ‘budget’ voor m.n. CO2 uitstoot. Op zich een sympathiek idee: in plaats van allerlei zaken (kopen van weggooi-artikelen, vliegreisjes naar Bali) te verbieden krijgt iedereen een budget: je kunt het besteden zoals je wilt, maar in totaal mag je niet meer CO2 uitstoot veroorzaken dan je budget. Daarmee voorkom je het ‘compensatie effect’: wie overal LED-lampen in heeft geschroefd let er minder op apparaten uit te schakelen; wie zijn best doet om te besparen, het afval te scheiden en alleen vliegtickets koopt waarvan de uitstoot ‘gecompenseerd’ wordt zal allicht menen dat een paar extra autoritjes wel verdiend zijn. En omdat we onze goede daden altijd nét wat beter herinneren dan onze slechte schieten we daar dus niets, of in elk geval veel te weinig mee op. De intitatiefneemster meent voorts dat dit systeem sympathieker is dan het alternatief, namelijk vervuilende/verspillende keuzes duurder maken want dat treft vooral de minder bedeelden. Een reuze sympathiek idee, kortom.

Maar toch maar liever niet.

Sowieso lijkt het me praktisch volkomen onuitvoerbaar. Wát we precies met onze keuzes aan CO2 uitstoot veroorzaken is afhankelijk van vele bijkomende factoren, nooit precies vast te stellen en altijd omstreden. Alleen al die paar energieleveranciers die we hebben ruzieën voortdurend over de klassificatie van hun ‘groenheid’ die hier en daar gepubliceerd worden en dan is dat nog een naar verhouding transparante zaak. En dan heb ik het nog niet eens over andere broekasgassen of over uitputting van grondstoffen enz.; daarvoor zou je dan een lithium-budget, een coltan-budget, een samarium-budget enz. moeten creëren! Zo’n inschatting maken voor álle artikelen en keuzes is een titanenarbeid en loopt noodzakelijkerwijs altijd achter op de ontwikkelingen. Daar kun je onmogelijk wetgeving op baseren.

Vervolgens het argument dat zo’n budget sympathieker is omdat het voor iedereen geldt. Al spoedig vroeg de interviewer of je dan een ongebruikt deel van je ‘budget’ zou kunnen verkopen. “Ja natuurlijk” was het antwoord. Maar dat betekent dan toch gewoon dat rijke mensen zoveel budget kunnen kopen als ze willen terwijl minder bedeelden een deel moeten verkopen? Kortom: dat idee van ‘sympathieker’ is fake; het gaat erom of je geld hebt – logisch want geld is een universeel ruilmiddel; we hebben wel nauwelijks behoefte aan ándere ‘ruilmiddelen’ zoals een ‘budget’. Áls je zo’n budget zou willen instellen als een sympathieker alternatief voor ‘vervuilende/verspillende keuzes duurder maken’ dan moet het een ‘persoonsgebonden budget’ zijn. Maar dát heeft weer het grote risico dat iedereen z’n budget opmaakt (waarom zou je immers niet) en bij elkaar zou dat best wel eens op een groter verbruik kunnen uitkomen i.p.v. een bezuiniging.

Mijn voornaamste bezwaar is echter het volgende. Ik meen dat we er niet uit zullen komen zolang fabrikanten geld verdienen aan het maken van weggooi-spullen en reclame campagnes die aanzetten tot ‘weggooien en nieuw kopen’ en ik heb het dan niet alleen over TV’s en mobiele telefoons. Grondstoffen terugwinnen levert voor de fabrikant geen voordeel; zorgen dat je computer snel veroudert en niet gerepareerd kan worden wél. Overvloedige warmte in de zomer gooien we weg; in de winter kopen we wel nieuwe energie. Enzovoorts.
Fabrikanten en ondernemers de schuld van al die verspilling in de schoenen schuiven vind ik zinloos; zij doen alleen maar hun plicht tegenover de aandeelhouders. Ingrijpende veranderingen in de manier waarop onze economie draait zijn m.i. nodig. We moeten toe naar een ‘circulaire economie’ – daar lijkt iedereen het over eens te zijn (rapporten van de EU, een gloedvol pleidooi van nota bene onze eigen Euro comissaris) maar het blijft vooralsnog voornamelijk bij lippendienst. Zo’n overgang vereist ingrijpende nieuwe wetgeving en vooral liberalen, maar zij niet alleen, zijn daar vaak sowieso tegen. Mijns inziens geheel onterecht: ze zien over het hoofd dat ook ons huidige economisch systeem wordt gevormd door wetten en internationale verdragen. Het gaat niet om méér wetten, maar om ándere wetten.

Mijn lichtend voorbeeld is John Anderson, fabrikant van tapijttegels. Gegrepen door maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef besloot hij niet alleen om vergaande energiebesparingen in zijn fabrieken door te voeren, maar ook om te betalen voor ingeleverde gebruikte tapijttegels. Vervolgens – en dit is cruciaal – werd de produktie van die tegels zodanig aangepast dat ze, indien weer ingeleverd, optimaal ge-recycled konden worden. Eigenlijk, zou je kunnen zeggen, ‘huur’ je bij hem tapijttegels. Het mooiste aan dit verhaal is dat zijn bedrijf uitgroeide tot wereld marktleider; hij minimaliseerde de ecologische footprint van zijn product en hij en zijn andeelhouders werden daar stinkend rijk van.

Anderson is gelukkig niet uniek; het concept heeft ook een naam: cradle-to-cradle (van wieg tot wieg) ma.w. het (versleten) product komt uiteindelijk weer terug bij de fabrikant. Er is zelfs een club (de Ellen MacArthur Foundation) die een cradle-to-cradle certificaat uitreikt als je onderneming aan de normen voldoet en een aantal grote bedrijven hebben zich al aangesloten.

Ik meen dat élke maatregel, maar zéker zo’n grote ingreep in ons economisch bestel als een ‘budget’, het cradle-to-cradle concept moet bevorderen en dát zie ik hier nu juist niet.

Hans

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *